Een coalescentieafscheider is een klasse I-olieafscheider met een coalescentiefilter dat fijne, geëmulgeerde oliedruppels samenvoegt tot grotere druppels die opdrijven. Daardoor wordt een restgehalte van maximaal 5 mg/l minerale olie gehaald, de eis voor klasse I volgens NEN-EN 858. Deze afscheider is nodig waar de lozingseisen strenger zijn dan een gewone zwaartekrachtafscheider aankan.
Een coalescentieafscheider is een klasse I olieafscheider en wordt ook wel KWS-afscheider of koolwaterstofafscheider genoemd.
Schematische doorsnede. Na de slibvang en een voorscheiding op zwaartekracht passeert het water een coalescentie-element, waar fijne oliedruppels samenvloeien tot grotere druppels die opdrijven. Een automatische afsluiter sluit af zodra de olielaag te dik wordt; het schone water verlaat de put.
Een coalescentieafscheider is een olieafscheider die verder gaat dan zwaartekracht alleen. Het water passeert eerst een slibvang en een voorscheiding, waar de grovere oliedruppels al opdrijven. Daarna stroomt het door een coalescentie-element: een filter of pakket met een groot oppervlak waaraan kleine, fijn verdeelde oliedruppels blijven hangen. Die druppels groeien daar aan elkaar, een proces dat coalescentie heet, tot ze groot en licht genoeg zijn om op te drijven. Zo komen ook de fijne deeltjes vrij die een gewone afscheider zou doorlaten. Het resultaat is een restgehalte van maximaal 5 mg/l minerale olie, het niveau van klasse I.
Een coalescentieafscheider is aan de orde wanneer u olie- of brandstofhoudend water loost en de lozingseis streng is. Denk aan lozingen op kwetsbaar oppervlaktewater of op plekken waar het bevoegd gezag de norm van 5 mg/l hanteert. Het Besluit activiteiten leefomgeving stelt eisen aan het lozen van minerale olie en wijst voor het scheiden naar de norm NEN-EN 858. Of klasse I daadwerkelijk verplicht is, hangt af van waar u op loost en wat uw gemeente, waterschap of omgevingsdienst voorschrijft. Bij lozing op het vuilwaterriool volstaat vaak een lichtere uitvoering; bij lozing op oppervlaktewater of in een waterwingebied wordt al snel klasse I gevraagd. Laat dit per situatie beoordelen.
Het verschil zit in de techniek en in het restgehalte olie. Een klasse II-afscheider werkt op zwaartekracht: olie drijft op en wordt afgescheiden tot een restgehalte van maximaal 100 mg/l. Een klasse I-afscheider voegt daar een coalescentie-element aan toe, waardoor ook fijne en deels geëmulgeerde druppels worden afgevangen en het restgehalte tot maximaal 5 mg/l daalt. Welke klasse u nodig heeft, volgt uit de lozingseis. Twijfelt u tussen de twee, dan helpt de pagina olieafscheider klasse 1 of 2 u verder.
De maat van een coalescentieafscheider volgt uit NEN-EN 858. Bepalend is de nominale grootte NS, die wordt afgeleid uit het piekdebiet van het afvalwater, een dichtheidsfactor voor de te scheiden olie en een factor voor de aanwezigheid van reinigings- en spoelmiddelen. Die middelen zijn belangrijk: ze kunnen olie emulgeren en de scheiding bemoeilijken, en daarom telt de norm ze mee. Ook de afvoer van hemelwater van verharde oppervlakken speelt mee in het debiet. Reken je te krap, dan keurt de omgevingsdienst af; reken je te ruim, dan betaalt de klant te veel. Met de rekenhulp krijgt u een eerste indicatie van de benodigde maat.
Het coalescentie-element is het hart van een klasse I-afscheider, en juist dat element vervuilt. Slib en vaste deeltjes zetten zich vast en verminderen de werking, waardoor het restgehalte oploopt. Het element moet daarom regelmatig worden gereinigd en periodiek vervangen, naast het gewone legen van slib en de afgescheiden olielaag. Veel afscheiders hebben een automatische afsluiter die dichtgaat zodra de olielaag een grenswaarde bereikt, zodat er geen olie naar buiten kan. Houd het onderhoud bij in een logboek en plan een periodieke keuring, vaak gekoppeld aan de vergunning, zodat u bij controle kunt aantonen dat de installatie naar behoren werkt.
Ik verkoop geen afscheiders, ik reken ze door. Dat betekent dat de klasse en de maat die uit mijn berekening komen kloppen met de norm en met uw lozingseis, niet met een verkoopdoel. Ik breng uw situatie en uw lozingspunt in kaart en bepaal of klasse I nodig is en welke nominale grootte daarbij hoort. Daarna weet u precies wat u nodig heeft, los van wie het levert. Leg uw project voor.
Klasse I staat voor een afscheider met coalescentie-element die het oliegehalte terugbrengt tot maximaal 5 mg/l. Klasse II werkt alleen op zwaartekracht en haalt maximaal 100 mg/l. De vereiste klasse volgt uit uw lozingseis.
Als u olie- of brandstofhoudend water loost en de eis streng is, bijvoorbeeld bij lozing op oppervlaktewater of in een kwetsbaar gebied. Het bevoegd gezag bepaalt welke norm geldt; laat dit per situatie beoordelen.
Coalescentie is het samenvloeien van fijne oliedruppels tot grotere druppels. In het coalescentie-element hechten kleine druppels aan een groot oppervlak, groeien aan elkaar en drijven daarna op. Zo worden ook fijne deeltjes afgevangen die zwaartekracht alleen niet pakt.
Dat hangt af van de belasting en de hoeveelheid slib. Het element vervuilt en moet regelmatig worden gereinigd en periodiek vervangen, naast het legen van slib en olie. Een logboek helpt om het ritme te bepalen en bij keuring aan te tonen.
Ja, een slibvang hoort erbij en is vaak geïntegreerd. Vaste deeltjes die anders het coalescentie-element verstoppen worden zo eerst afgevangen. Bij veel bezinksel kan een ruimere of aparte slibvangput verstandig zijn.
Het algemene overzicht: werking, klassen en wanneer u er een nodig heeft.
Bezinking vóór de afscheider: wat het is en wanneer u het nodig heeft.
Het grotere plaatje van zuiveren en lozen op uw locatie.
Bereken zelf een eerste indicatie van de benodigde maat.