Overal waar olie of brandstof in het afvalwater terecht kan komen, wil de wetgever dat u het eruit haalt voordat u loost. Denk aan tankstations, wasstraten en wasplaatsen, werkplaatsen, transportbedrijven, olieterminals en machineparken. Een laagje olie op het water lijkt onschuldig maar verspreidt zich enorm en richt in de bodem en het oppervlaktewater veel schade aan. Daarom is de olie- en benzineafscheider hier de standaard, en daarom toetst de omgevingsdienst er streng op.
Een olie- en benzineafscheider wordt ook wel KWS-afscheider, koolwaterstofafscheider of olie-waterafscheider genoemd.
De afscheider scheidt op dichtheid. Olie is lichter dan water en stijgt, en een slibvang ervoor vangt zand en bezinksel op. De vraag die de hele keuze bepaalt is welke klasse u nodig heeft. NEN-EN 858 onderscheidt twee typen. Een klasse II afscheider werkt op zwaartekracht en haalt het grootste deel van de olie eruit. Een klasse I afscheider heeft daarbovenop een coalescentiefilter, dat de allerkleinste oliedruppels laat samenklonteren zodat ook die opstijgen, en haalt het restoliegehalte veel verder omlaag.
Welke van de twee u nodig heeft, hangt niet van uw voorkeur af maar van waar u op loost en welke restwaarde het bevoegd gezag eist. Loost u op open water of in een kwetsbaar gebied, dan is de eis bijna altijd strenger en komt u uit op klasse I. Hier wordt vaak te licht of juist onnodig zwaar gekozen, en beide kosten geld. Te licht betekent afkeuring, onnodig zwaar betekent een investering die niet hoefde.
Net als bij vet geldt: de dimensionering volgt uit het werkelijke debiet en de situatie, niet uit een vuistregel, en het onderhoud met aftekening hoort bij de vergunning. Een afscheider die vol staat doet niets meer, hoe duur hij ook was.
Twijfelt u over de klasse of de maat, dan bepaal ik onafhankelijk wat de norm en uw lozing van u vragen.