Een bezinkselafscheider, ook sedimentatie-unit of bezinker genoemd, haalt zand, gruis en ander bezinkbaar vuil uit water door het de rust en de tijd te geven om te zakken. Het is de oudste en vaak de goedkoopste vorm van waterbehandeling, en voor veel terrein- en proceswater precies de stap die het verschil maakt tussen een lozing die wordt geaccepteerd en een die wordt afgekeurd.
Schematische doorsnede. Deeltjes zakken tijdens de doorstroming naar de bodem; het heldere water stroomt bovenlangs verder.
Elk deeltje dat zwaarder is dan water zakt, als het maar de kans krijgt. In een stromende leiding krijgt het die kans niet; in een bezinkruimte wel. De afscheider vertraagt het water zo ver dat de deeltjes de bodem bereiken voordat het water de uitlaat bereikt. Hoe snel een deeltje zakt, hangt af van zijn grootte en gewicht: grof zand is in seconden beneden, fijn slib doet er veel langer over. Daarom bepaalt het fijnste deeltje dat u wilt afvangen hoe groot het toestel moet zijn, en dat is de kern van de berekening. Wie meer wil afvangen op minder ruimte, komt uit bij de lamellenafscheider, die hetzelfde principe stapelt op schuine platen.
Overal waar water vooral vaste delen meedraagt. Terreinwater van bouwplaatsen en overslagterreinen, spoelwater uit de vollegrond- en bollenteelt, proceswater met zand of productresten, bronneringswater dat te troebel is om zo te lozen. Ook vóór een infiltratievoorziening is een bezinkstap vaak verstandig, want zand dat de infiltratiekratten in spoelt, komt er nooit meer uit. En bij een vet- of olieafscheider heet dezelfde functie slibvangput en hoort hij bij de norm van dat toestel.
De rekengrootheid is de oppervlaktebelasting: hoeveel water er per uur over elke vierkante meter bezinkoppervlak mag stromen om het beoogde deeltje nog af te vangen. Grof materiaal verdraagt een hoge belasting, fijn slib een lage. Uit het piekdebiet en die belasting volgt het benodigde oppervlak, en daarmee het toestel. Net als bij de andere afscheiders geldt: de piek is maatgevend, niet het gemiddelde, en wat er werkelijk in het water zit bepaalt meer dan de folder van welk toestel ook.
Bezinken is onderhoudsarm maar niet onderhoudsvrij. De slibruimte vult zich, en een volle bezinker laat alles door alsof hij er niet staat. Periodiek legen, afgestemd op de vuilvracht, en na een piek zoals een bouwfase of een strooiseizoen even extra kijken. Houd de ledigingen bij in het logboek, dan is er bij een controle niets uit te leggen.
Of uw water vraagt om een eenvoudige bezinker, een lamellenafscheider of een combinatie met olie- of vetafscheiding, volgt uit het debiet en wat er werkelijk in zit. Die som maak ik onafhankelijk, los van wie het toestel levert. Leg uw project voor.
De werking is gelijk. Een slibvangput hoort bij een vet- of olieafscheider en wordt op diens norm gedimensioneerd. Een bezinkselafscheider of sedimentatie-unit is een zelfstandig toestel voor stromen waar geen afscheider achter staat.
Als uw water vooral zand, gruis of ander bezinkbaar vuil bevat: terreinwater, spoelwater uit de teelt, proceswater met vaste delen. Vaak is bezinken de goedkoopste stap die het verschil maakt bij de lozingseis.
Op het debiet en de bezinksnelheid van het fijnste deeltje dat u wilt afvangen. Fijn slib vraagt een lagere oppervlaktebelasting dan grof zand, en dus meer oppervlak.
De bezinkstap die bij een vet- of olieafscheider hoort.
Hetzelfde principe, gestapeld op schuine platen: veel water op weinig ruimte.
Waarom bezinken vóór afscheiden zoveel verschil maakt.
Het grotere plaatje van zuiveren en lozen op uw locatie.